SEARCH
You are in browse mode. You must login to use MEMORY

   Log in to start

level: Level 1

Questions and Answers List

level questions: Level 1

QuestionAnswer
Welke hormonale therapieën zijn er?1. Glucocorticosteroïden 2. Thyreoïdhormonen 3. Geslachtshormonen en anti-hormonen Indicatie: tumoren met hormoon afhankelijke groei
Wat is de indicatie van glucocorticosteroïden?Vooral bij hematologische maligniteiten: - Lymfatische leukemieën - Lymfomen - Mycosis fungoïdes - Ziekte van Kahler Ook bij: - Gemetastaseerd mammacarcinoom - Hypercalciëmie ten gevolge van skeletmetastases of ziekte van Kahler - Cerebraal oedeem ten gevolge van hersenmetastases - Adjuvans bij preventie van misselijkheid en braken bij gebruik oncolytica Gunstig effect op: - Pijn - Stemming - Eetlust
Wat zijn thyreoïdhormonen?- Thyreomimetica: lebothyroxine (Eltroxin, Euthyrax, Thyrax duotab) - Indicatie: gedifferentieerd schildkliercarcinoom - Werking: Thyreomimetica vervangen de natuurlijk voorkomende schildklierhormonen. Levothyroxine is identiek aan T4 en wordt in de lever en het perifere weefsel omgezet in het biologisch actieve T3; Liothyronine is identiek aan T3. - Het effect is: opheffing van de gevolgen van een tekort aan schildklierhormoon; preventie van hypothyreoïdie na behandeling met een thyreostaticum. - Bijwerkingen: Bij een optimale dosering treden geen bijwerkingen op. Te hoge doses of snel opvoeren van de dosering kunnen leiden tot symptomen van hyperthyreoïdie: tremor, nervositeit, slapeloosheid, hoofdpijn, tachycardie, hartritmestoornissen, hypertensie, gewichtsverlies ondanks toegenomen eetlust, braken, diarree, zweten, koorts, osteoporose (bij langdurig gebruik van hoge doses).
Hoe werken glucocorticosteroïden?- Glucocorticoïden hebben een zeer breed werkingsspectrum, analoog aan het endogene cortisol. Ze worden in hogere dosering gebruikt vanwege hun ontstekingsremmende en immunosuppressieve werking. - Effect: onderdrukking van ontstekingsreacties van verschillende oorsprong, zoals trauma, allergie, auto-immuunziekte (glucocorticoïden in hogere dosering); regulering van de koolhydraat-, eiwit- en vetstofwisseling (glucocorticoïden);
Wat is targeted therapy?- Targeted Therapy gebruiken we als verzamelnaam voor een aantal geneesmiddelen die specifiek bepaalde moleculen remmen in de kankercel of het omringend stroma en daarmee kankerspecifieke groeisignalering remmen. - Hormonale therapie is ook targeted therapy - Zijn medicamenten, die heel specifiek gericht zijn tegen de kankercellen - Ze beschadigen de gezonde cellen minder dan bijvoorbeeld chemotherapie -> bijwerkingen minder erg dan bij chemotherapie 2 soorten medicijnen: - Monoclonale antilichamen - Small molecules Adjuvant of palliatief gegeven
Wat is het verschil tussen targeted therapy en chemotherapie?- chemotherapeutica remt de tumorgroei door de DNA-integriteit te beïnvloeden of de DNA-synthese te remmen. dit geeft een breed scala aan bijwerkingen ten gevolge van het niet-selectieve werkingsmechanisme dat vooral gericht is op delende cellen - targeted therapy remt bepaalde moleculen in de kankercel of het omringende stroma en kunnen daarmee kankerspecifieke groeisignalering remmen
Welke hormoonreceptoren hebben de geslachtshormonen?- Oestrogeen receptor positieve tumor (ER-positief) - 80% van de mammacarcinomen - Progestageen receptor positieve tumor (PR-positief) – 65% van de ER-positieve tumoren - Androgeenreceptor (testosteron)
Wat zijn anti-oestrogenen?- Tamoxifen (Nolvades, Tamoplex) (agonistische eigenschappen voor endometrium, waardoor kans op endometriumcarcinoom verhoogt is) - Raloxifeen (Evista), SERM (selectieve oestrogeen receptor modulator) - de meeste anti-oestrogenen zijn geen pure antagonsiten, maar bezitten ook agonistische eigenschappen - de mate van oestrogeenremmende en -stimulerende activiteit is weefselspecifiek en afhankelijk van het gebruikte preparaat - bijwerkingen: irregulaire menses. Vaginaal bloedverlies, vaginale afscheiding, pruritus vulvae. Transpireren, opvliegers. - interacties: Gelijktijdig gebruik met oestrogenen (bv. orale anticonceptiva) vermijden vanwege wederzijdse vermindering van werkzaamheid. Vermijd gelijktijdig gebruik met sterke remmers van CYP2D6 (zoals paroxetine, fluoxetine, kinidine, cinacalcet en bupropion), omdat de concentratie van de sterk actieve metaboliet endoxifen met 65–75% kan dalen. Gelijktijdig gebruik met sterke inductoren van CYP3A4 (zoals carbamazepine, fenytoïne, rifampicine en sint-janskruid) kan de concentratie van tamoxifen verlagen. Bij combinatie met cytotoxische middelen bestaat meer kans op trombo-embolische complicaties. De werking van anticoagulantia van vitamine K-antagonisten kan worden versterkt.
Wat zijn LH-RH-agonisten?LH-RH-agonisten (gonadoreline-Cryptocur) - Busereline (Suprecur, Suprefact) - Gosereline (Zoladex)(in combinatie met tamoxifen) - Leuproreline (Lucrin) - Triptoreline (Decapeptyl) Werking: - Gonadoreline-agonisten stimuleren de afgifte van LH en FSH door de hypofysevoorkwab. Dit resulteert in: een stijging van LH- en FSH-spiegels in het begin van de behandeling en tevens bij intermitterend gebruik. Hierdoor stijgt de testosteron- of oestrogeenspiegel; een daling van de LH- en FSH-spiegels bij langdurig (niet-intermitterend) gebruik door desensibilisatie van de hypofyse. Hierdoor daalt de testosteronspiegel bij mannen na circa drie weken tot castratieniveau; bij vrouwen dalen de oestrogeen- en progesteronspiegels tot postmenopauzale waarden; bij kinderen met idiopathische centrale pubertas praecox worden gestimuleerde en basale gonadotrofinen gereduceerd tot prepuberale niveaus. - bijwerkingen: bottoxiciteit: verminderde botmineraaldichtheid, osteoporose, verhoogde kans op fracturen; stoornissen van de geslachtsorganen: verminderde libido, vulvovaginale droogheid, erectiestoornis. Ovarieel hyperstimulatiesyndroom (OHSS, zie onder ‘meer informatie’); opvliegers; centrale bijwerkingen: emotionele labiliteit, depressie, hoofdpijn, vermoeidheid; verlies van spiermassa; overgevoeligheid: systemisch en op de injectieplaats (zoals pijn, jeuk, roodheid).
Wat is het effect van LH-RH-agonisten?Bij intermitterend gebruik: - inductie van de maturatie van de testes en de spermatogenese bij de man; - inductie van de ovulatie bij de vrouw. Bij langdurig (niet-intermitterend) gebruik: - afname van de groei van testosteron-gevoelig prostaatcarcinoom; - vermindering van de seksuele drift bij mannen; - vertraging of stopzetting van de ontwikkeling van de puberteit; - afname van de groei van oestrogeen-gevoelig mammacarcinoom; - afname van de groei van fibromyomen van de uterus; - onderdrukking van endometriosehaarden; - preventie van een voortijdige LH-piek ten behoeve van gecontroleerde - ovariële hyperstimulatie.
Wat zijn niet-selectieve aromataseremmers?Aminogluthetimide – Orimeten - Remt oestrogeenvorming in perifere weefsels - Remt synthese van bijnierschorshormonen Indicaties: wordt niet meer gebruikt Bijwerkingen: - Slaperigheid - Huiduitslag met koorts - nierinsufficiëntie
Wat zijn selectieve aromataseremmers?- Exemestraan (Aromasin): - Anastrozol (Arimidex) - Letrozol (Femara) Werking: - Onderdrukken alleen de vorming van oestrogenen in de perifere weefsels - Remmen niet de productie van bijnierschorshormonen - Remmen selectief, competitief (anastrozol, letrozol) óf irreversibel (exemestaan) het enzym aromatase in de perifere weefsels. Hierdoor neemt de vorming van oestrogenen (estradiol, estron) uit androgene precursors (androsteendion en testosteron) af. Effect: - remming van de groei van oestrogeenreceptor-positieve tumoren; - regressie van oestrogeenreceptor-positieve tumoren. Bijwerkingen: opvliegers; hoofdpijn; osteoporose, soms leidend tot fracturen; artralgie en carpaal tunnel syndroom; alopecia; hypercholesterolemie (anastrozol en exemestaan); hypertensie (letrozol); psychische bijwerkingen: stemmingsstoornissen/depressie (anastrozol en exemestaan), angst (letrozol); vaginaal bloedverlies.
Wat zijn anti-androgenen?- Anti-androgenen - Indicaties: Prostaatcarcinoom - Anti-androgenen met steroïdstructuur - Niet-steroïde anti-androgenen
Welke anti-androgenen met steroïdstructuur zijn er?- Cyproteron (acetaat) – Androcur - Werking: blokkade androgeenreceptor + sterk progestatieve activiteit waardoor de productie van gonadotrofinen en dus ook testosteron wordt geremd. bovendien remt deze stof de omzetting van testosteron in dihydrotestosteron in de prostaat - bijwerkingen: afname libido, erectiestoornis, reversibele remming van de spermatogenese (herstelt geleidelijk binnen paar maanden na staken van de therapie). levertoxiciteit (waaronder geelzucht, hepatitis, verhoogde transaminasenwaarden, leverfalen). Gewichtsverandering. Depressieve stemming, (tijdelijke) rusteloosheid, dyspneu. Gynaecomastie. Vermoeidheid, opvliegers, zweten
Wat zijn niet-steroïde anti-androgenen?- Bicalumatide (Casodex) - Flutamide (Drogenil, Eulexin, Flutamide) - Nilutamide (Andandron) - Werking: blokkeren competitief de androgeenreceptor (apalutamide, bicalutamide, cyproteron, enzalutamide, nilutamide). Hierdoor wordt de werking van testosteron tegengegaan; remmen de nucleaire translocatie van geactiveerde androgeenreceptoren en de binding van geactiveerde androgeenreceptoren aan DNA (apalutamide, bicalutamide, enzalutamide, nilutamide); Bijwerkingen: gynaecomastie en pijn in de borsten (niet-steroïde anti-androgenen) [1]; seksuele disfuncties: verminderde libido, erectiestoornis en reversibele remming van de spermatogenese (vooral steroïde androgenen: cyproteron)[1]; cardiovasculaire bijwerkingen: hypertensie, QT-verlenging, angina pectoris, myocardinfarct en hartfalen (vooral abirateron); levertoxiciteit; opvliegers (biculatamide, enzalutamide). Effect: afname groei van testosteron-gevoelig prostaatcarcinoom; regressie van testosteron-gevoelig prostaatcarcinoom; vermindering van de geslachtsdrift;vermindering van de toegenomen talgklierfunctie bij ernstige acne vulgaris (cyproteron).
Wat is immunotherapie?- Beïnvloed het immuunsysteem - Versterkt het immuunsysteem om kankercellen te bestrijden Cytokinen -> ‘boodschappers’ -> aantal groepen: - Interferonen - Tumornecrosefactoren - Groeifactoren
Wat doen Aldesleukine ne BCG-vaccin?Aldesleukine: - Is groeifactor voor T-lymfocyten - Kan productie en afgifte van andere cytokinen induceren en verschillende typen lymfocyten activeren en aanzetten tot proliferatie - Deze stimulatie van het immuunsysteem leidt tot afbraak van tumorcellen - Toegepast bij gemetastaseerd niercelcarcinoom BCG-vaccin: - Aspecifieke immunostimulerende eigenschappen - Intravesicaal toegepast bij blaascarcinoom
Wat doen Histamine en Interferon alfa-2a en interferon alfa-2b?Histamine: - Toegevoegd aan interleukine-2 - Beschermt de lymfocyten, die verantwoordelijk zijn voor het vernietigen van overgebleven myeloïde leukemische cellen tegen remming en apaptose Interferon alfa-2a en interferon alfa-2b - Door leukocyten geproduceerd - Kan gezonde cellen beschermen tegen schadelijke effecten van invasie van virusdeeltjes - Ook kan het de celproliferatie onderdrukken en heeft het immunomodulerende effecten - Onder andere bij maligne melanoom
Welke voorbeelden zijn er van immunotherapie?- aldesleukine - BCG-vaccin - histamine - interferon alfa-2a en interferon alfa-2b
Wat zijn monoclonale antilichamen?- Binden zich na iv toediening aan eiwitten op het opp. Van cellen zoals lymfocyten of aan vrij bewegende eiwitten - Eindigen op ‘-mab’ - Bijvoorbeeld bevacisumab (avastin) - Angiogeneseremmer: gehumaniseerd monoklonaal a.l., dat zich bindt aan de vasculaire endotheliale groeifactor (VEGF) -> verwijdert VEGF uit bloedbaan -> in tumoren minder bloedvaten gevormd -> groeifactor vertraagd - Maar ook belemmering wondheling en groei collaterale bloedvaten -> niet na recente operatie of bij vaataandoeningen
Wanneer wordt targeted therapy bij borstkanker gebruikt?- Alleen bij HER2-positieve tumor (15-20% vrouwen met mammacarcinoom) - Het HER2-eiwit (is een epidermale groeifactor) op de tumorcel zorgt voor groeiprikkels voor de tumor. De cellen blijven zich delen - Met monoclonale antilichamen kunnen we die eiwitten blokkeren - Hierdoor is de prognose van HER2-positieve tumoren sterk verbeterd
Hoe kan targeted therapy bij borstkanker eruit zien?Trastuzumab (herceptin) - Bindt zich aan HER2-eiwit -> groeisignaal kan de cellen niet meer bereiken - Stimuleert ook het immuunsysteem - (Neo)adjuvant en palliatief gegeven, meestal in combinatie met chemotherapie - Heeft iets verhoogd risico op hartfalen Pertuzumab (Perjeta) bij HER2-positieve tumoren - Altijd in combinatie met trastuzumab - Samen met het chemotherapeuticum Docetaxel versterkt Pertuzumab de werking van Trastuzumab uitgezaaide borstkanker
Wat zijn proteïnekinaseremmers?- Eindigen op ‘-nib’ bijvoorbeeld imatinib - Zijn stoffen, die activiteit remmen van in de celmembraan aanwezige groeifactorreceptoren (receptorkinasen) of intracellulaire eiwitten (kinasen) die deel uitmaken van uit verschillende eiwitten opgebouwde signaaloverdrachtketens - Proteïnekinasen zijn betrokken bij processen, die bepalend zijn voor het bestaan, de deling, groei en overleving van cellen. Deze zijn bij kanker soms ontremd. - Proteïnekinaseremmers kunnen deze processen remmen - Bijvoorbeeld toegepast bij CML, niercelkanker -> prognose hierdoor aanzienlijk verbeterd
Wat kunnen bijwerkingen van targeted therapy zijn?Verschillend per persoon en per middel Veel voorkomend: - Algehele malaise - Tijdelijke achteruitgang hartfunctie (Trastuzumab) - Diarree of obstipatie - Leukopenie - Koorts - Trombopenie - Braken, buikpijn, misselijkheid - Kortademigheid, pneumonie
Wat zijn perifeer werkende analgetica?- tegengaan van de werking of synthese van intermediaire stoffen: histamine, prostaglandinen, plasmakininen in de weefsels - Effecten: analgetisch, antiinflammatoir = antiflogistisch, antipyretisch - werking: remming van de prostaglandinesynthese en remming van de effecten van plasmakininen in de weefsels - acetylsalicylzuur (aspirine) - paracetamol - NSAIDS (zoals: ibuprofen, diclofenac, indometacine, piroxicam en naproxen)
Wat zijn bijwerkingen van acetylsalicylzuur?- irritatie van het maag-darmslijmvlies, waardoor maagpijn, misselijkheid, bloedverlies en ulcera kunnen optreden. Deze bijwerkingen zien we minder bij het gebruik van enterie coated tabletten en goed oplosbare preparaten. - interactie met orale anticoagulatica, zoals bijvoorbeeld acenocoumarol. de kans op en de hevigheid van bloedingen neemt hierdoor toe - Acetylsalicylzuur kan beter niet gegeven worden aan kinderen met griep, waterpokken o.i.d. in verband met de kans op het optreden van het syndroom van Rey (zeldzaam). dit is een acute lever- en hersenbeschadiging met hoge kans op overlijden. goed alternatief: paracetamol
Wat zijn de effecten van paracetamol?- analgetisch, antipyretisch, maar NIET anti-inflammatoir - werkt waarschijnlijk op centraal niveau; remt namelijk de prostaglandinesynthese in de perifere weefsels niet - voordeek: geen bijwerkingen op het maag-darmkanaal en de bloedstolling - nadeel: inname van meer dan 6 gram ineens: levertoxisch; tegengif: acetylcysteïne
Wat zijn NSAID's?- niet steroïde anti-inflammatoire 'drugs' (geneesmiddelen) - worden veel gebruikt ter bestrijding van pijn en ontsteking bij degeneratieve en inflammatoire gewrichtsaandoeningen. wat betreft de werkzaamheid ontlopen de NSAID's elkaar niet zo veel. Patiënten, die onvoldoende reageren op het ene preparaat, kunnen goed reageren op een ander preparaat - bijwerkingen: gastro-intestinaal bijvoorbeeld: ulcera, bloedingen - interacties: met anticoagulantia - voorbeelden: diclofenac, ibuprofen, indometacine, piroxicam, naproxen
Wat zijn centraal werkende analgetica?- middelen met effect op de opiaatreceptoren = opiaten = opioïden - opiaatreceptoren: in CZS hersenen, ruggenmerg, in darmen - opiaten = morfinomimetica: werken op de opiaatreceptoren zoals morfine dat doet - deze middelen hebben over het algemeen een sterk pijnstillend effect (niet antipyretisch en antiflogistsich) - ze geven euforie (gevoel van welbehagen) - bijwerkingen: ademhalingsdepressie, sedatie, misselijkheid, braken, obstipatie, bij langdurig gebruik neiging tot gewenning en het optreden van geestelijke en lichamelijke afhankelijkheidsverschijnselen na het stopzetten van de therapie
Wat zijn morfine agonisten, morfine antagonisten en partiële morfine antagonisten?morfine agonisten: - morfine, MS-contin - codeïne, nicomorfine - heroïne synthetische morfine agonisten: - fentanyl, alfentanyl - sufentanyl, pethidine - methadon morfine antagonisten: - naloxon; bij ademdepressie gegeven partiële morfine antagonisten: - pentazocine, buprenorfine